Alle bestanden

Uw zoekacties: Archief van het stadsbestuur van Culemborg, 1318 - 1813
x0826 Archief van het stadsbestuur van Culemborg, 1318 - 1813
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0826 Archief van het stadsbestuur van Culemborg, 1318 - 1813
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
2. Context
2.2. Institutionele geschiedenis / Biografie
0826 Archief van het stadsbestuur van Culemborg, 1318 - 1813
1. Inleiding
2. Context
2.2. Institutionele geschiedenis / Biografie
Voet van Oudheusden schreef in zijn in 1753 uitgegeven werk *  dat Culemborg in 1144 gebouwd werd door Roelof heer van Beusinchem voor zijn zoon Huibert. Deze werd geboren nadat hij de heerlijkheid Beusichem al aan zijn dochter Ida tot bruidsschat had beloofd.
Dit verhaal klopt niet volgens W.A. Beelaerts van Blokland *  . Van Oudheusden kwam dichter bij de waarheid toen hij schreef dat Huibert II van Culemborg in 1271 een kasteel bouwde aan de westzijde van de stad. *  In hoeverre dit jaartal juist is, valt niet na te gaan. Wel is het mogelijk om aan de hand van enkele oorkonden de gang van zaken weer te geven. Het oudste charter, waarin sprake is van een ''castrum, dictum Culenburgh", dateert van 21-11-1281. Een enkele maanden oudere brief spreekt van een in Kulenburg gelegen stuk land, waarop het kasteel was gesticht *  . Er zijn geen gegevens rondom de oorsprong van de naam, maar in verband met de uitgang van het woord kan men aannemen dat het kasteel eerder dan de landstreek de naam gedragen heeft.
Uit de akte van 4 Juli 1281 blijkt dat er, op een aan het kapittel van Oudmunster leenroerig stuk grond, een castrum stond. Het stuk grond werd door het kapittel aan Huibert van Bosinchem, in vrije eigendom afgestaan tegen de opdracht van elders gelegen, en ook aan hem in leen gegeven landerijen. Uit de akte valt af te leiden dat de stichting niet lang geleden had plaats gevonden en dat Huibert niet de stichter geweest kan zijn, anders zou het feit van de stichting niet met deze bewoordingen in de akte zijn opgenomen. Op grond hiervan kan men de vader van Huibert van Bosinchem als stichter van kasteel Culemborch beschouwen. Op 21 november 1281, droeg Huibert van Bosinchem zijn huis in leen op aan Reinald I, graaf van Gelre. Bij het castrum ontstond een nederzetting, die in 1310 werd afgesplitst van het kerspel Beusichem en tot een zelfstandige parochie werd verheven. Deze ontving 6 december 1318 de eerste privilegebrief van Johan van Bosinchem, heer van Culemborg, zoon en leenvolger van Huibert. Blijkens een charter in het grafelijk archief werd de weduwe van Huibert, Clemence, door de abt van St. Paulus te Utrecht beleend met 'den halven tiend onder Resteren'. Dit is de zogenaamde 'oude stad'. Weliswaar zegt het charter van 1318 alleen, dat de vrijheden aan de poorters ter plaatse werden geschonken, maar men kan deze oorkonde toch als de eerste stadrechtbrief beschouwen. Dat de nederzetting bij het huis Culenborch met muren en poorten versterkt was, laat zich hieruit afleiden. Rond 1350 werd het oude kasteel afgebroken en een nieuw slot aan de oostzijde van de stad gebouwd (die in het begin van de 19de eeuw werd gesloopt). Het jaar 1339 bracht verandering, doordat met het huis, de stad en de heerlijkheid Culemborg onder de leenband werd verenigd. Er is geen aanleiding aan te nemen, dat slechts een deel der heerlijkheid tot Gelders leen zou zijn gemaakt *  . In de loop van de 14de eeuw is het stadsgebied twee keer zo groot geworden. Deze uitbreidingen zijn nog in het stadsbeeld na te gaan. De Havendijk waar schippers zich gevestigd hadden, werd in de 15de eeuw bij het stadsgebied getrokken. Aan de zuidkant ontstond het einde van de 14de eeuw een nederzetting van boeren, die door watervloed uit hun dorpen verdreven waren. Dit gedeelte, Lanksmeer en later de Nieuwstad genoemd, vormde een zelfstandige parochie met kerk. Het kerspel is ten gevolge van de Reformatie opgeheven en met de parochie van St. Barbara verenigd. De kerk is in het begin van de 19de eeuw afgebroken.Tot het gebied van de tegenwoordige gemeente Culemborg behoort het territoir van de voormalige stad en het er buiten gelegen gebied van de voormalige heerlijkheid Culemborg en de buurschappen Redichem, Lanksmeer (gedeeltelijk), Paveien, Parijs, Tienhoven en Zoowijk (Zoechwijck). De heerlijkheden Everdingen, Zijderveld en Goilberdingen, die eveneens aan de heren, na 1555 graven, van Culemborg toebehoorden, vormden tot 1795 een afzonderlijk gericht onder een richter met zeven schepenen overeenkomstig twee handvesten van 1413 en 1494. *  Deze stonden niet onder het gezag van de stedelijke magistraat. Ook na 1795 zijn Culemborg en Everdingen administratief gescheiden gebleven. In beide plaatsen vormde zich een municipaliteit, die in 1798 vervangen werd door een gemeentebestuur, en het gehele graafschap, dat van 1795 tot 1799 hardnekkig gepoogd had als een zelfstandig gebied bij de Bataafsche Republiek te worden gevoegd, kwam in 1799 onder het Departementaal bestuur van de Rijn en werd door de Staatsregeling van 1801 bij de provincie Gelderland gevoegd. In 1811 veranderden Culemborg en Everdingen elk in een mairie en werden zij bij het Département des bouches du Rhin gevoegd, terwijl Gelderland, voorzover boven de Waal gelegen, tot het Département de l'Issel supérieur behoorde. De Grondwet van 1814 herstelde de oude toestand door Culemborg en Everdingen opnieuw onder de provincie Gelderland te brengen. De wet van 27-4-1820, Stbl. no. 12, eindelijk heeft de provinciale grens langs de Diefdijk gelegd, zodat Everdingen sindsdien tot de provincie Zuid-Holland heeft behoord, terwijl Goilberdingen daarvan is afgescheiden en met de gemeente Culemborg is samengevoegd. Everdingen behoorde van oudsher tot de Vijfherenlanden en daarmee tot de provincie Holland en niet onder het Gemeeneland van Culemborg.
Goilberdingen behoorde er wel toe, want de waterstaatkundige grens lag aan de Diefdijk. Volgens de oudste stadrechtbrief van 1318 bestond het stadsbestuur uit richter en schepenen. Het privilege van 1533 geeft de richter de titel van schout. Het aantal schepenen blijkt uit de privilegebrieven niet, maar men kan aannemen, dat het evenals in het gericht Everdingen en Zijderveld zeven zal hebben bedragen. Volgens het Stad- en Landrecht van 1680 bedroeg het getal schepenen in de stad zes, volgens dat van 1742 acht. Verder maakten een drost en twee burgemeesters deel van de stedelijke regering uit. De burgemeesters werden onderscheiden als stads- en schepenburgemeester. Over hun functie ten aanzien van de stadsfinanciën vóór 1628 zie men het aangetekende bij de desbetreffende afdeling van de inventaris. Volgens het Stad- en Landrecht van 1742 bekleedde in zaken van justitie, bij rechtspraak dus. de schepenburgemeester de voorzittersstoel, maar in zaken van politie, hetgeen wij administratieve zaken zouden noemen, drost, schout en stadsburgemeester *  . Deze laatste had ook tot taak de stadszegels en de stadssleutels te bewaren *  . Ten aanzien van het openen van de ingekomen brieven hadden drost, schout en burgemeesters gelijke bevoegdheid *  . In de loop der 18e eeuw heeft het college der grafelijke Raden, die de landsheer in het bestuur van zijn graafschap ter zijde stonden, bemoeiingen met het stadsbestuur gekregen en vonden vergaderingen plaats van Raden en Magistraat als één college. Op welke grond de samenwerking van deze lichamen is begonnen, is niet bekend, terwijl bij een behandeling der rechtsgeschiedenis van Culemborg onderzocht zou dienen te worden, over welke onderwerpen van bestuur de bevoegdheden van het nieuwe college zich uitstrekten. De resoluties vangen met het jaar 1765 aan en het eerste deel is gemerkt A10 . Er zijn aanwijzingen, dat toen slechts een nieuwe serie werd begonnen. Hoewel uit deze tijd geen resoluties van de Magistraat alleen bewaard zijn gebleven, blijkt uit enkele resoluties van het grote college, dat ook nog afzonderlijke bijeenkomsten van de stedelijke Magistraat plaats vonden. Aan het bestaan der grafelijke Raadkamer werd door de revolutie een einde gemaakt. Het oudste stadszegel, dat in de 15e en de 16e eeuw in gebruik was, vertoont een poort met ringmuur en torentjes, terwijl op de poort eene linksgewende banier beladen met drie zuilen (2 en 1) is geplaatst. In de poortopening bevindt zich een aanziende zittende leeuw. Het randschrift luidt: SIGILLUM OPIDI CULENBORGENCIS. Dit zegel is, vermoedelijk in de 17e eeuw, vervangen door een ander, waarvan een afbeelding voorkomt in het werk van Voet11 . Het vertoont weder een poort met ringmuur en torens. Onder de poort bevindt zich een met een paarlenkroon gedekt schild, terwijl uit den middeltoren twee vanen zijn gestoken. Schild en vanen vertonen ieder drie zuilen (2 en 1), terwijl de kleuren volgens de afbeelding bij Voet zijn aangegeven als rood in goud. Het randschrift luidt: Sigillum magnum civitatis Culenburgensis. Een kleinzegel, dat tot randschrift heeft: Sigillum minus civitatis Culenburgensis, en alleen het door een kroon met fleurons gedekte schild met de drie zuilen bevat, wordt vermeld in de Beschrijving der zegelverzameling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage12 . Het boven beschreven wapen, in goud drie rode zuilen 2 en 1, wordt eveneens door de tegenwoordige gemeente Culemborg gevoerd. Het is hetzelfde als dat van de oudste heren van Culemborg, voordat dit door aanhuwelijking met andere wapenfiguren vermeerderd werd.
Kenmerken
Verversingsgraad:
onregelmatig
Datering:
1318 - 1813
Plaats:
Culemborg
Opmerkingen:
Charters 99 - 302, 383 - 410 voorlopig niet beschikbaar (11-2013 NH). In het moederdossier zit een Ruilovereenkomst tussen de Staat der Nederlanden en de gemeente Culemborg waarin besloten is tot ruil van diverse archivalia aan te gaan. Ingevulde metadata zonder acquisitiestukken/overeenkomst.
Taal:
Nederlands
Dekking in tijd:
1318 - 1813
Omvang in meters:
40
Openbaarheid:
Onbeperkt
Toegangstitel:
A.J. v.d. Ven, Het Oud-archief van de gemeente Culemborg (Utrecht 1938).
Gemeente:
Culemborg
Locatie:
Culemborg
Licentie:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS